De Matkop kent een aantal
typische meesachtige kreetjes. Maar zijn zang bestaat uit 'puut-puut-puut'
in een snelle herhaling.
Dat er twee verschillende
soorten zwartkopmezen worden onderscheiden, is pas aan het eind van de
19de eeuw officieel vastgelegd. Wij kennen nu de Glanskop (Parus palustris)
en de Matkop. De naam zwartkopmees wordt nog wel eens gebruikt als niet
vast te stellen is om welke soort het gaat. Want het onderscheid tussen
deze twee kleine mezen is vaak niet gemakkelijk te constateren. Alleen
wanneer wij de roep van de Matkop horen, het nasale 'pèh-pèh-pèh' dan
hebben we zeker met een Matkop te maken,
Vochtige bossen met veel
dode bomen. Omdat de Matkop z'n eigen nestholte hakt, heeft hij een
voorkeur voor veel rottend hout. Vooral het zachte hout van dode Berken is
favoriet en het is daarom erg jammer dat wandelaars in het bos nog zo vaak
dode, rottende bomen omhalen of omschoppen. Men ontneemt daarmee de
Matkop's broedgelegenheid.
Standvogel. Dat betekent
dat ze zich niet meer dan enkele tientallen kilometers van hun broedgebied
verwijderen. Toch kunnen we de Matkop buiten de broedtijd regelmatig op
plaatsen waarnemen waar ze pertinent niet broeden.
Niet bedreigd. De
tellingen van de afgelopen tien jaar die Sovon medewerkers hielden, duiden
erop dat de stand stabiel is gebleven of zelfs mogelijk licht is
toegenomen. Volgens schattingen zou het voorkomen van Glanskop en Matkop
ongeveer van één op drie moeten worden gesteld.
Aantal broedparen in
Nederland: 20.000-30.000 broedparen (2000)
|