Roerdomp, Botaurus stellaris / Bittern

Zuid-Holland, februari 2010

    


Adult



Roerdompen broeden in moerassen die rijk zijn aan stevig oud riet. Het zijn merendeels standvogels, die in ijzige winters gevoelige verliezen kunnen lijden. Vissen, kikkers, muizen ('s winters) en grote insecten vormen de belangrijkste voedselbron. Meestal wordt gejaagd in open water aan de rand van het riet.

De soort staat op de Rode Lijst vanwege de sterke afname van zowel het broedareaal als van het aantal broedparen in ons land, alsmede vanwege de kwetsbaarheid van het broedbiotoop.

Al enkele eeuwen neemt het aantal broedende roerdompen in Nederland af; een proces dat nog steeds niet tot staan is gebracht. In de jaren zeventig waren van de duizenden van weleer nog zo'n 500-700 paren over, begin jaren negentig was de stand verder gedaald tot 150-180 paar. De belangrijkste overgebleven broedplaatsen liggen in Noordwest-Overijssel, de Oostvaardersplassen en het Gelderse Rijnstrangengebied. Van de niet zo lang terug nog behoorlijke broedbestanden in Friesland, Noord-Brabant en de Hollanden is weinig meer over.

De belangrijkste oorzaak voor de afname van de roerdomp is het verdwijnen en/of ongeschikt worden van zijn leefomgeving. Vroeger eiste de jacht daarnaast haar tol, tegenwoordig zijn dat vooral de slechte waterkwaliteit en de peilverlagingen, die een afname van de visstand hebben veroorzaakt. Een derde negatieve factor is de toegenomen water- en oeverrecreatie. Met name in de broedtijd kan verstoring al gauw leiden tot het verdwijnen van de soort. Bij het beheer van de laatste belangrijke broedplaatsen dient het belang van de roerdomp voorop te staan. Dat houdt in dat de aanwezigheid van een flinke hoeveelheid overjarig waterriet gestimuleerd dient te worden, maar dat verlanding moet worden tegengegaan. In een grootschalig moerasgebied als de Weerribben is het mogelijk om een extensieve vorm van rietteelt te behouden. Waterkwaliteit en waterkwantiteit is van groot belang; samen met beheerders en waterschappen dient gestreefd te worden naar een zo roerdomp vriendelijk mogelijk waterregime. Voor de meeste gebieden is een permanente verhoging van het waterpeil gewenst, alsmede een stop op het inlaten van gebiedsvreemd vervuild water. In strenge, ijzige winters kan ervoor gekozen worden om roerdompen bij te voeren, bij voorbeeld met vlees- of visafval. Zorg in ieder geval dat tenminste een deel van de leefgebieden vrij blijft van schaatsers; verzwakte roerdompen kunnen geen extra onrust gebruiken. Uitvoering van een aantal natuurontwikkelings-projecten kan voor flink wat nieuwe broedgelegenheid zorgen, niet alleen nabij de huidige bolwerken, maar ook in onder meer Friesland, de Randstad en de Delta. Ook een goed beheer van rietstroken in het agrarisch gebied kan de roerdomp kansen bieden. Tot slot is het van belang om de ontwikkeling van het aantal broedparen goed te volgen. Geef daarom alle gevonden territoria door aan SOVON.

Aantal broedparen in Nederland: 200-250 broedparen (2004)



Zuid-Holland, februari 2010 / zoekend naar prooi


Zuid-Holland, februari 2010


Zuid-Holland, februari 2010 / met vis


Zuid-Holland, februari 2010


Zuid-Holland, februari 2010


Zuid-Holland, februari 2010


Lauwersmeer, februari 2006


Lauwersmeer, februari 2006


Lauwersmeer, februari 2006


Lauwersmeer, februari 2006


Biesbosch, januari 2010